woensdag 11 november 2020

De rode loop: het corona van de achttiende eeuw (1)

2020 wordt het jaar van het coronavirus. Is het al. Een rampjaar. Ook voor Pladella Villa. Tot twee keer toe moesten we de deuren sluiten in 2020 en in de maanden dat we wel open mochten zijn, werden we dermate beperkt door de anderhalvemeter-regel, dat we geen enkele tentoonstelling, lezing of vergadering konden organiseren. Bovendien gingen de jaarmarkten van Bladel en Hapert niet door, waar we net als in 2019 het Bladels-Hapertse erfgoed en geschiedenis hadden willen promoten. En onszelf uiteraard.

Ook in de achttiende eeuw had je van die rampjaren, ook toen vanwege een onhandelbare en onbéhandelbare ziekte: dysenterie, in de volksmond de "rode loop" genoemd. Net als corona verspreidde de ziekte zich razendsnel en eiste ze veel slachtoffers.

Anders dan corona had de loop een eigen seizoen: hij openbaarde zich steevast tegen het einde van de zomer, woedde het hevigst in de maanden september en oktober en verdween dan weer langzaam in november en december. Ook geografisch had hij zijn beperkingen. Lang niet altijd breidde hij zich zover uit dat je kon spreken van een epidemie.

Ook in de jaren 1779-1783, toen de ziekte uitbrak in heel de Meierij en er wél sprake was van een epidemie (gesproken wérd van een “plaag”), deden zich sterke regionale verschillen voor. In 1779 werden Helmond en (wijde) omgeving het hardst geraakt, twee jaar later werd vooral het middengebied van de Meierij getroffen, de dorpen boven Eindhoven, met uitlopers naar Oirschot en Oisterwijk. Weer twee jaar later, in 1783 woedde de ziekte in de hoofdstad ’s-Hertogenbosch. 

Het merendeel van de slachtoffers viel op het platteland.

In 1779 begon de ellende in Asten, nadat een ingezetene op familiebezoek was geweest in oranje gebied (Weert). Vanuit de kom breidde de ziekte zich uit over het hele dorp. Een “veekoopman” exporteerde haar vervolgens naar de dorpen Bakel en Milheeze. Zo’n 200 mensen daar wáren al aan de schijterij en die keerde zich prompt ten kwade. Daarna kwamen er onheilsberichten uit Lierop, Heeze, Bladel, Nuenen, Gerwen, Lommel, Oirschot, Hapert en Hoogeloon en verloor men het overzicht. Ook Someren werd getroffen en waar de epidemie elders weer uitdoofde, ging het daar nog door tot januari 1780. De aantallen sterfgevallen logen er niet om: 142 in Asten, 178 in Someren, 65 in Bakel-Milheeze, 37 in Lierop, 23 in Heeze, 17 in Nuenen.

In 1781 hadden Best en Schijndel de primeur, waarna de epidemie zich uitbreidde naar Oisterwijk, Sint-Oedenrode, Eersel, Waalre, Loon op Zand, Waalwijk, Rosmalen, Tilburg en ’s-Hertogenbosch.

De ziekte trof vooral de armen. Onvoldoende en slechte voeding, slechte huisvesting en onwetendheid maakten mensen vatbaarder voor besmetting. Ook tweedehands kleding, tot het dragen waarvan vele armen in die tijd waren veroordeeld, is waarschijnlijk een factor geweest in de verspreiding van de ziekte. Ook het niet beschikken over eigen waterputten maakte mensen kwetsbaar. Met name in warme zomers, als het waterpeil zakte, waren de have nots nogal eens genoodzaakt onzuiver water te drinken. En dan was er nog de voortdurende zorg over het dagelijks brood. De daarmee gepaard gaande stress kwam je weerstand niet ten goede.

Niet iedereen die de symptomen had, had ook werkelijk de rode loop. Het hebben van “eenen quaden afgank” duidde niet noodzakelijk op dysenterie. Je kon ook gewoon aan de dunne zijn. Pas als er bloed meekwam, veel bloed, wist je het zeker. Deze symptomatische overeenkomst met onschuldiger ziekten, maakte dat de ziekte vaak al geducht om zich heen aan het grijpen was voordat men haar herkende en een begin werd gemaakt met de bestrijding ervan.

Hoewel men geen idee had van de oorzaken van de ziekte (dat wil zeggen: geredeneerd met de kennis van nu, ideeën had men genoeg), had men wel al door dat de ziekte verspreid werd door mensen die er elders mee in contact waren geweest. Met name militairen, die nogal eens wisselden van garnizoensplaats, werden gemeden als de spreekwoordelijke pest. Marskramers zagen hun handel slinken; heimkerende bedevaartgangers golden als levensgevaarlijk. 

Brak ergens de ziekte uit, dan was het dorpsbestuur verplicht dat te melden aan de rentmeester-generaal in de Meierij, de regionale opperbaas. Deze zond onmiddellijk een gekwalificeerde doctor medicinae derwaarts. In 1779 was dat dokter J. Bon, of diens plaatsvervanger, dokter J.G. Hopman. Bon en Hopman declareerden hun onkosten bij de dorpsbesturen, die de rekeningen vervolgens weer indienden bij de staat. Al die declaraties zijn vandaag de dag een niet onbelangrijke bron in het historisch onderzoek naar het verloop van de ziekte.

Bon en Hopman zagen er tijdens hun inspecties op toe dat plaatselijke chirurgijnen (die de artsenij, zoals u misschien nog weet uit de geschiedenisles van vroeger, slechts parttime beoefenden; hun hoofdberoep was in de regel dat van barbier) de juiste behandelingen en medicijnen voorschreven. Waar mogelijk lieten ze doorgeleerde doktoren invliegen, onder wier toezicht hun would be-collega’s de zieken behandelden.

Bon noch Hopman waren erg blij met de aan hen verstrekte opdracht. Het kostte ze zoveel tijd dat hun eigen praktijk eronder leed. Bovendien vreesden patiënten dat ze besmet zouden worden door hun eigen artsen, die immers dagelijks met lijders aan de rode loop in aanraking kwamen.  

Een greep uit de symptomen, als beschreven door dokter Bon: “hevige buikpijnen, veelvuldige, stinkende, galachtige en bloedige afgangen, beslagen tong, pijn in hoofd en lendenen, neiging tot braken, dorst, koorts, ongedurigheid, slapeloosheid, snel verval van krachten, de hik, sprouw* en een facies Hippocratica**.” Kortom: er was geen lichaamsdeel dat niet meedeed, dag en nacht. Het begon altijd relatief onschuldig (20 à 30 keer per dag naar de plee) maar als het na een week niet overging, had je grote kans dat het evolueerde naar een godvergeten kwelling (80 tot 100 keer) die niet zelden eindigde met de dood.

* Ook wel "spruw", een aandoening van het slijmvlies in de mond.

** Gelaat van een stervende. Winkler Prins 1870: "Kort voor den dood ondergaat gewoonlijk des menschen aangezigt eene in 't oog loopende verandering. De gelaatskleur wordt bleek en vaal, de wangen en lippen blaauwachtig, het voorhoofd glad, terwijl de weeke deelen invallen, en de neus en kin puntig worden."


Wordt vervolgd


Simplex

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Een onbekend huis in Netersel

Sinds jaar en dag slingert er bij ons een ingelijste foto van een ons onbekend huis. We hadden het idee dat het in Netersel stond en dat het...